Duits
Uitgebreide vertaling voor aufschreien (Duits) in het Nederlands
aufschreien:
-
aufschreien (brüllen; kreischen; herausschreien)
uitschreeuwen; uitroepen; uitgillen; uitbrullen; uitkrijsen-
uitschreeuwen werkwoord (schreeuw uit, schreeuwt uit, schreeuwde uit, schreeuwden uit, uitgeschreeuwd)
-
Vertaal Matrix voor aufschreien:
Werkwoord | Verwante vertalingen | Andere vertalingen |
uitbrullen | aufschreien; brüllen; herausschreien; kreischen | |
uitgillen | aufschreien; brüllen; herausschreien; kreischen | herausschreien |
uitkrijsen | aufschreien; brüllen; herausschreien; kreischen | herausschreien |
uitroepen | aufschreien; brüllen; herausschreien; kreischen | ausrufen; bellen; brüllen; donnern; dröhnen; fegen; grassieren; hausen; herausschreien; heulen; jagen; johlen; kläffen; poltern; rasen; sausen; schallen; schreien; singen; skandieren; toben; tosen; wettern; wüten; zischen |
uitschreeuwen | aufschreien; brüllen; herausschreien; kreischen | bellen; brüllen; donnern; dröhnen; fegen; grassieren; hausen; herausschreien; heulen; jagen; johlen; kläffen; poltern; rasen; sausen; schallen; schreien; singen; skandieren; toben; tosen; wettern; wüten; zischen |